En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze

Salvador DaliDe enige beproeving voor de mens bestaat hierin, dat hij in de aanraking met het kwade aan zichzelf wordt overgelaten. Op die manier wordt langs de weg der ervaring het 'nietige' van de mens duidelijk bewezen. Ofschoon de ziel het bovennatuurlijke brood ontving op het ogenblik waarop zij erom vroeg, is haar vreugde met vrees vermengd, omdat zij dat brood alleen voor het heden heeft kunnen vragen. De toekomst blijft onzeker. De ziel heeft niet het recht brood voor morgen te vragen, maar zij geeft uiting aan haar vrees door een smeekbede.

Simone Weil, mystica, filosofe en activiste

De Bekoring van St. Antonius (Salvador Dali)


De serie van zeven meditatieavonden over de zeven beden/zinsnede van het ‘Onze Vader” sluiten we op 9 januari af met de bede: “En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze”. De doxologie of lofprijzing “Want van U is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid (tot) in Eeuwigheid” is eeuwen later toegevoegd. Deze lofprijzing, die waarschijnlijk als een liturgische afsluiting aan het Onze Vader is toegevoegd, hebben we niet opgenomen in deze serie.
Bij het aandachtig lezen van de bede, “En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze” kun je je afvragen of het niet één maar misschien wel twee bedes zijn! Bijbelcommentatoren duiden het meestal als één bede. Opvallend is hier wel dat, evenals in veel Psalmen, dat de bede geformuleerd is in twee parallelle zinsdelen. Vaak wordt een situatie die in het eerste zinsdeel negatief is geformuleerd, in het tweede deel positief geherformuleerd. In deze bede wordt de ‘verzoeking’ vervangen door haar tegendeel ‘verlossing’. De twee delen leggen a.h.w. elkaar uit. Kerkvader Augustinus formuleert het heel precies: ‘door ons te bevrijden van het kwaad brengt Hij ons niet in verzoeking en door ons niet te leiden in verzoeking bevrijdt Hij ons van het kwaad. Volgens paus Franciscus is de zin ‘Leid ons niet in verzoeking’ (of ‘bekoring’) uit het Onze Vader dan ook slecht vertaald en theologisch misleidend. Want God brengt mensen niet in verzoeking, dat doet Satan, zei de paus. 

De vertaling van het Griekse woord peirasmos heeft dan ook door de eeuwen heen nogal problemen opgeleverd. Het woord is vertaald als ‘beproeving’, ‘verzoeking’, ‘verleiding’ en ’bekoring’. ‘Bekoring’ (in kerkelijk Latijn tentatio) werd, volgens, emeritus hoogleraar Bijbelse Theologie Zuurmond op den duur steeds meer moralistisch ingevuld en ging lijken op ‘verleiding’. Hetzelfde kan – misschien iets minder nadrukkelijk – gelden voor ‘verzoeking.’ Bij ‘beproeving’ denken wij in de eerste plaats aan een soort examen. Geen van deze drie woorden geeft echter het Grieks of het overeenkomstige Hebreeuws nauwkeurig weer. De betekenis van een te vertalen woord, zegt Zuurmond, hangt samen met de relatie tot andere woorden en de context waarin het gebruikt wordt. Wat leert ons de context van peirasmos en verwante woorden? Allereerst dat peirasmos de situatie is van iemand die in het nauw is gebracht. Soms zo erg dat er geen doorkomen meer aan is. Tenzij er zoals in het Oude Testament, in het ‘slavenhuis’ Egypte, of bij het ‘offer van Abraham’ dat niet doorgaat, een uitweg, onverwacht en ongedacht, door God zelf wordt geopend.

We lezen in het verhaal over de ‘verzoekingen in de woestijn’ (Matteus 4:1-11), dat ook Jezus in het nauw werd gebracht. Jezus had veertig dagen in de woestijn doorgebracht en gevast toen de duivel, de ‘beproever’ kwam opdagen. De duivel of satan is de diabolos, die alles over hoop gooit, ons denken verwart, het goede en kwade met elkaar vermengt, en al onze activiteiten en behoeften doordrenkt met begeerte. De duivel probeert Jezus tot een drievoudige begeerte te verleiden en deze in hem op te wekken maar, hij doorstond en overwon ze alle drie:
In de eerste verzoeking, met de vraag om van stenen brood te maken, staat zijn zoonschap van God op het spel wanneer hij het zou misbruiken door zich te goed te doen aan eten en drinken. Hij overwint deze verzoeking omdat voor hem het woord van God belangrijker is en meer voedt én wezenlijker voedsel is dan eten en drinken. Door welk voedsel willen wij ons laten voeden in een tijd waarin we door slimme marketingtechnieken via (sociale) media vrijwel permanent worden verleid tot vaak plat hyperconsumentisme?
De tweede verzoeking, waarin Jezus wordt uitgedaagd zich van het hoogste punt van de tempel te laten vallen, behelst de zucht naar erkenning, aanzien en roem. De duivel verzoekt Jezus met de verwijzing naar een psalmwoord: God zal zijn engelen gebieden om hem op handen te dragen. Ook deze verzoeking weerstaat Jezus. Het gaat hier om God te willen inpalmen om hem voor ons eigen karretje te spannen voor het verlangen naar erkenning en bewondering. God wordt hierin misbruikt om het gevoel van eigenwaarde te vergroten, zich te verheffen boven anderen. De Bijbel en God worden ge(mis)bruikt om bij anderen erkenning te krijgen. Het gaat dan niet meer om God, maar om het eigen ego. Als het heilige wordt misbruikt, wordt het meest waardevolle van de mens kapotgemaakt. Anselm Grün, Benedictijner monnik, abt en schrijver, zegt hierover: Jezus bezwijkt niet voor deze verzoeking. Hij antwoordt met een ander Bijbelboek: ”Stel de Heer, uw God, niet op de proef.” Wie zijn spirituele weg misbruikt om voor het oog van anderen allerlei religieuze kunststukjes op te voeren of vaardigheden te ontwikkelen waarmee hij zich boven andere mensen kan plaatsen, stelt - zo meent Jezus - God op de proef. Hij misbruikt God voor zichzelf, voor zijn eigen ego. Veel van wat tegenwoordig op de spirituele markt als weg naar de ’hogere wereld‘ wordt aangeboden versterkt slechts het ego in plaats van dat het ons ontvankelijk maakt voor God. Het is het verlangen naar buitengewone vormen van ervaring van het zelf, die leiden tot een opgeblazen ego, maar niet tot openheid voor God.
De derde verzoeking heeft te maken met de begeerte naar macht en hebzucht. Het is de verzoeking om andere mensen voor ons karretje te spannen, macht over hen uit te oefenen, steeds meer macht te willen hebben en over steeds meer mensen te willen heersen. Satan zou Jezus alle koninkrijken van de aarde in bezit en heerschappij geven als hij Satan zou aanbidden. Ook deze verzoeking weerstaat Jezus. Hij buigt niet voor de afgoden van de macht en het geld, maar aanbidt God als zijn Heer. Wanneer Jezus de verzoekingen door Satan, de beproever heeft weerstaan, vlucht Satan en, komen er engelen die voor hem zorgen. Nu wordt de berg van de verzoeking tot de berg van het paradijs. Dit betekent: daar waar wij de verzoeking van de begeerte in welke vorm dan ook weerstaan, daar is Gods helende en liefhebbende nabijheid, gesymboliseerd door engelen.

Het verhaal van de verzoeking laat zien hoe wij als mensen kunnen falen. Dit is juist het geval in woestijn-situaties in ons leven, wanneer we door omstandigheden op onszelf worden teruggeworpen, zoals in crisissituaties waarin we geconfronteerd worden met de naaktheid van ons bestaan. Of wanneer we ons eenzaam voelen en, al of niet terecht, tekort gedaan voelen door de ander of het leven. Anselm Grün zegt “dat de confrontatie met de eigen naaktheid de façade wegneemt waarachter we onze eigenlijke wensen en gedachten verbergen. In de woestijn hebben we geen bescherming waarachter we ons kunnen verschuilen en ervaren we onze kwetsbaarheid… We hebben niets meer waarmee we de leegte die, aan de oppervlakte komt, kunnen opvullen, en de begeerte en behoeften die zich aandienen kunnen verdringen. We worden op niets ontziende wijze geconfronteerd met de krachten die in ons binnenste strijden om de heerschappij. Het gaat er uiteindelijk om of we in ons hart plaats inruimen voor de heerschappij van God óf van Satan.”

Dan nu terug naar de uitleg in de koptekst van Simone Weil op deze zevende regel. Hier valt op dat zij die laat uitlopen op de onzekerheid van de toekomst die voor ons ligt. Hein Blommestijn zegt over Weil’s interpretatie dat “zelfs wanneer we ons bestaan geheel aan God uit handen geven (omdat we ons in ons geestelijk leven willen verzekeren van Gods aanwezigheid) we ons echter nooit kunnen bevrijden van de kwetsbaarheid van het menselijk bestaan en daarmee van de angst die we in ons lijf en ons bewustzijn met ons meedragen. Er bestaan geen vormen van 'heiligheid' die we ooit kunnen toerekenen aan onszelf. Erger nog, 'in de aanraking met het kwade' kunnen we ons slechts toevertrouwen aan de kracht die God ons 'heden' geven wil. Omdat er geen blijvende uitweg bestaat uit onze fundamentele 'nietigheid', is onze 'vreugde' altijd 'met vrees vermengd'. De weg naar God kent geen zekerheid, want zij kan zich slechts als bede voltrekken”.
Tenslotte gaan rabbijn Lody van de Kamp en Claartje Kruijff in dialoog over de zevende regel, die in dagblad Trouw geplaatst werd. Een deel van de dialoog is hier opgenomen: Kruijff: "Verzoeking is aanvechting. Het heeft twee kanten, het doelt op de moeilijke omstandigheden waarin je kan leven, en het gaat ook over begeerte, de verleiding om dingen te doen die je niet zou willen doen of die anderen beschadigen." Van de Kamp: "Wij kennen in het jodendom twee soorten verzoeking. De mens is op de wereld om beproefd te worden, om te kijken of je als mens geestelijk zo ver gevorderd bent dat je de verzoeking kunt weerstaan. Als dat lukt, dan krijg je beloning. Als je eraan toegeeft, dan word je daarop aangesproken. Voor deze verzoeking vragen wij Gods steun niet, dat is Zijn manier om met ons om te gaan. De tweede soort gaat om verzoekingen die we niet aankunnen. Concreet denk ik aan het slachtoffer van de nazi's die na de oorlog met zijn kampbeul wilde spreken. Die vertelde hem hoe hij opgegroeid was in nazi-Duitsland en kampbeul was geworden. Na dat gesprek dacht de man: als ik op dezelfde manier was opgevoed, was ik geen slachtoffer geweest, maar dader. Dat is een ander soort verzoeking. We kunnen God vragen om ons niet in die wieg neer te leggen of in die omstandigheden te brengen. " Kruijff: "Zegt dat inzicht bij het slachtoffer ook iets over goddelijk inzicht? Voor mij heeft het met God te maken dat je zo'n diepe wijsheid krijgt, dat je inziet dat je dader had kunnen zijn én slachtoffer." Van de Kamp: "Ja, jazeker."

Kiezen tussen goed en kwaad

Kruijff: "We hebben steeds weer de keuze tussen goed en kwaad. Als je verlost wordt van het kwaad, ben je vrij ván: van alles wat je benauwt. Je bent ook vrij vóór: voor het schone en het goede. Van sommige dingen weten we niet of ze goed of kwaad zijn. Soms denk je dat je het goede doet, maar blijkt later, dat je toch op een verkeerd spoor zat. En het overkomt ons allemaal dat we geen weerstand kunnen bieden. Je hebt niet altijd overzicht. Bij het gebed is er een adres voor dit soort dingen. Voor het goede en het kwade, en voor dat stuk in mij dat daarnaar zoekt, dat worstelt met wat niet klopt ."Van de Kamp: "Ja. God heeft overzicht van de omstandigheden waarin we verkeren, hij heeft inzicht in wie we zijn. Dat betekent dat als ik faal, er toch omstandigheden kunnen zijn dat Hij zegt: toch geloof ik in jou. Ook het falen van de mens is niet altijd zijn eigen verantwoordelijkheid, het zijn ook de omstandigheden."

Annemarie van Wijngaarden en Rob Boersm

primi sui motori con e-max.it
Onze nieuwsbrief >