Ik

“Gelukkig wie nederig van hart zijn, want voor hen is het koninkrijk van de hemel.” Mattheüs 5:3

 

Het ‘Ik’ dat in de psychologie en in spirituele kringen meestal ‘Ego’ wordt genoemd, is een niet eenduidig begrip. Er worden tientallen verschillende betekenissen aan gegeven. Daarbij komt ook dat woorden als ik, zelf, identiteit, individualiteit, ego, persoonlijkheid, persoon etc. vaak vrijelijk door elkaar worden gebruikt, zonder een duidelijke omschrijving, definitie of afbakening. Het woord 'ik' (in het Latijn 'ego') is een persoonlijk voornaamwoord, dat terugverwijst naar de persoon. Het Latijnse woord 'persoon' komt van het werkwoord 'per-sonare' dat ‘er doorheen klinken’ betekent. Wat 'door de persoon heen klinkt' zijn zijn/haar individuele denkbeelden die we al van kleins af aan opbouwen en daarmee ons wereldbeeld zijn gaan bepalen en tot uiting komen via ons gedrag. Het ego is een product van ons eigen denken, een kader van waarden, normen, regels, overtuigingen, ervaringen, aannames waaraan we onze waarneming toetsen. Maar ook van  onze daden waarover we spijt hebben, en commentaren bij alles en iedereen, vaak al voor we het beseffen. Zo onderscheiden we, en geven we betekenis aan de werkelijkheid zoals die zich aan ons voordoet.


Het  ego is functioneel omdat het zorgt dat we bijvoorbeeld verschillende rollen kunnen spelen zonder direct in verwarring te raken over onze identiteit. Het zorgt ervoor dat we ons min of meer hetzelfde voelen, zelfs als we in de loop van de dag heel verschillende dingen doen. Het is een soort werkhypothese over onszelf. Het houdt de boel bij elkaar, zorgt dat er een gevoelde eenheid van ervaring is. Het zorgt ervoor dat het zelf niet alle kanten opvliegt.

Op zich is daar niets mis mee. Maar…. het kan mis gaan, lijden veroorzaken wanneer we er ons aan hechten, er rotsvast in geloven en ons ermee identificeren door te zeggen ‘dit is wie ik ben’, zeker als deze gedachten gedeeltelijk niet realistisch zijn. We denken deze denkbeelden nodig te hebben om te kunnen overleven, we denken dat we zonder niet bekwaam zijn, we denken de ander te moeten overtuigen van onze mening, we denken dat wij zelf de waarheid kennen en de ander niet, we denken dat de wereld moet veranderen naar het beeld wat wij ervan hebben, we denken de ander te moeten helpen, troosten, adviseren, we denken dat we het niet waard zijn gezien te worden, gelukkig te zijn, of geld te verdienen. We denken…………………

Zowel in de spiritualiteit van het Christendom als ook in het boeddhisme onderscheiden we bij de mens twee bewustzijnslagen. Dat is ten eerste de bewustzijnslaag van het ego. De laag van krampachtigheid en onvrijheid. Soms is het gordijn van deze ego-constructie even opzij geschoven. Dan hebben we contact met een diepere bewustzijnslaag, de laag van de oorspronkelijke persoon die we (door God bedoeld) zijn. Ook wel de laag van het zelf of de ziel genoemd. Deze tweede bewustzijnlaag is ons niet bekend in het ‘normale’ bewustzijn van het ego. Daarom ervaren we haar in eerste instantie als duister en zelfs beangstigend, en pas in tweede instantie als ruim en bevrijdend. Stil en leeg worden, stilte en leegte aangaan en uithouden, zijn wegen om ermee in contact te komen. Christelijke mystici geven aan, op basis van eigen innerlijke ervaringen, dat  op die laag de aanwezigheid van het Godsgeheim bemerkt kan worden.

Het Christendom, maar ook het boeddhisme zijn erop gericht om losser te komen van de ego-constructie. Van de ikkigheid, zelfzucht en de voortdurende mentale activiteit om een beeld van jezelf (en van God) in stand te houden. In het boeddhisme omdat het ego als een op zichzelf bestaand iets een illusie is en bron van lijden. In het christendom omdat het ego niet onze diepste identiteit weerspiegelt. Om te ontdekken wat dan wél werkelijk en wezenlijk is, wijzen de christelijke en boeddhistische spiritualiteit een weg aan van verinnerlijking en onthechting. Christelijke mystici als Eckhart spreken zelfs over een ‘sterven aan zichzelf’. Beide tradities delen ook sommige van de praktijken die worden aangeboden om die weg te gaan zoals (mantra) meditatie. Een mantra of gebedswoord herhalen, in al zijn eenvoud, ontmaskert de voortdurende activiteit van het ego dat denkt, plant, oordeelt, begeert en fantaseert.

Over de ultieme realiteit waarmee we in aanraking komen op de weg van de onthechting hebben de christelijke en boeddhistische tradities verschillende beelden. Voor de boeddhist lost het illusoire ego op in een oneindig bewustzijn, zoals een druppel in de oceaan. Je bent leegte en lost op in leegte. Geen doodse leegte, maar een ‘levende leegte’, een leegte die zindert van leven. Dat beseffen en ervaren wordt  ‘verlichting’ genoemd, het einde van het lijden en het begin van een geheel andere kijk op de werkelijkheid. Voor de christen is het einddoel ontmoeting en zelfs vereniging met God. Je ontdekt dat niet iets, maar iemand jou opvangt als je de kramp van het ik loslaat. Iemand die jou onvoorwaardelijk bemint en die jij kan aanspreken en beminnen als een persoon, een Gij. Christenen gebruiken dus niet het beeld van de druppel en de oceaan voor de vereniging tussen God en mens, maar eerder het beeld van geliefden die naar elkaar verlangen en zich verenigen. Sterven aan jezelf doe je niet voor jezelf, maar om de Ander alle ruimte te geven in je leven. De eerste zaligspreking van Jezus in de koptekst verwijst ook naar onthechting, het sterven aan je zelf door het inzicht dat niets ons toebehoort: noch een medemens, noch een huis, noch ons leven. Wie dus nederig van hart is, of anders gezegd een klein ego heeft (klein in de zin van : zonder gefixeerde gedachten over zichzelf, de wereld en God), gaat dus niet gebukt onder allerlei verwachtingen die door zichzelf of de medemens zijn opgelegd. Ervaart dus ook niet de daarmee gepaard gaande gevoelens van teleurstelling, verontwaardiging, boosheid of zelfs agressie. Hij of zij is innerlijk vrij en onafhankelijk. Je begint in te zien dat al wat leeft in jou, jouw ‘unieke jij’, Zijn gave is, elk moment. Je diepste wezen is God zelf die in jou woont. Dat herkennen is verrijzeniservaring. Paulus schreef over zo’n ervaring wanneer hij zegt: ‘Ikzelf leef niet meer, Christus leeft in mij’(Gal 2,20). Je wordt ten volle mens wanneer je Christus en de ruimte van Christus herkent als je meest intieme zelf, intiemer dan je ik.

Annemarie van Wijngaarden en Rob Boersma

primi sui motori con e-max.it
Onze nieuwsbrief >