De adem : zo binnen, zo buiten

Leven is ademen! Ieder nieuw mensenleven begint met een inademing en ‘het leven’ eindigt met het ‘uitblazen van de laatste adem’, uitademing. Leven en ademen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Onbewust past ons adempatroon (het ritme, de diepte en de hoogte van de ademhaling) zich steeds weer aan de behoefte van het lichaam aan. Maar ook de gevoelens van het moment worden in onze ademhaling weerspiegeld. Als we innerlijk in rust zijn, is er een langzame, regelmatige en licht verdiepte buikademhaling. Als we in angst of paniek zijn is er een snelle, onregelmatige, oppervlakkige hoge borstademhaling. De ‘adem wordt je benomen’. Je denkt dat je ‘adem moet halen’ en gaat misschien zelfs hyperventileren. ‘Veel zuchten verlicht een hart vol smart’, zegt het spreekwoord. En tijdens plezierige lichamelijke (sport)inspanning, bij ontmoeting met een ander of als je gericht bent op de omgeving, is er een licht verdiepte buik-, flank-en borstinademhaling. Je kunt dan een gevoel van ruimte, lichtheid, openheid en vitaliteit ervaren. Bij deze voorbeelden blijkt, dat de ademhaling betrokken is bij onze communicatie tussen de buitenwereld en onszelf. Ook heeft de ademhaling invloed op onszelf: als je met aandacht aanwezig bent bij de ademhaling in je buik, kan dat een gevoel van rust, zekerheid, vertrouwen, je gedragen weten geven.

 

De afwisseling van het in- en uitademen is verbonden met inspanning en ontspanning, en ook met ontvangen en geven. De ‘oerbeweging’ van de adem(haling) verbindt ons met de buitenwereld én omgekeerd, de buitenwereld met ons innerlijk.
In vrijwel alle religieuze en levensbeschouwelijke tradities, de oosterse godsdiensten, maar ook al bij de oude Egyptenaren en Grieken, wordt de adem verbonden met leven, lichaam, geest en/of ziel. Ons woord ‘adem’ is verwant met het oud-indische woord ‘atman’, dat zowel met adem als met ziel vertaald kan worden.
Ook in de bijbel is de adem nauw verbonden met de ziel en het geestelijk leven van mensen. In het Oude Testament, al in Genesis 1:1 in de tweede zin lezen we over de geest van God, de ‘ruach’, (‘ruach’ betekent geest en adem) die over de wateren zweeft alvorens er leven komt. Verderop, in Genesis 2:7, staat de bekende tekst ‘…toen formeerde de Here God de mens van stof uit de aardbodem en blies de levensadem (nesjama) in de neus; alzo werd de mens een levend wezen (nefesj)’. Het woord nefesj betekent behalve adem ook ziel. Het staat voor lichaam en ziel samen, als een gevoelsmatige kern, een ‘ik’ dat kan verlangen naar iets, zowel in positieve als negatieve betekenis. Zo kan je ziel, je ‘nefesj’, dus verlangen naar God, zoals in psalm 42:2 en 3:

Zoals een hinde smacht naar stromend water,
Zo smacht mijn ziel (nefesj) naar U, o God.
Mijn ziel (nefesj) dorst naar God, naar de levende God….


In het Nieuwe Testament betekent het Griekse woord ‘pneuma’ zowel adem, wind als geest. In Johannes 3:8 zien we zelfs twee betekenissen van pneuma: “De wind blaast, waarheen hij wil, en u hoort zijn geluid, maar u weet niet, vanwaar hij komt of waar hij heengaat; zó is een ieder, die uit de Geest geboren is”.

Mediteren is als ademen. Je kunt tijdens het mediteren ervaren, dat, als je de adem zijn gang kunt laten gaan en niet ingrijpt, dat je dan geen adem hoeft ‘te halen’, maar dat je als het ware ‘geademd wordt’, alsof het ‘in jou ademt’. Wanneer je vanuit een ontspannen aandacht bij het ervaren van de ademhaling aanwezig kunt zijn, ontsluit zich geleidelijk aan de eigen binnenruimte, het eigen innerlijk, en uiteindelijk kan de adem ervaren worden als communicatie met Gods levensadem (Gods ruach). De ademmeditatie kan een belangrijk hulpmiddel worden bij het ontwikkelen van een grotere ontvankelijkheid, waardoor men zich meer open kan stellen voor de geestelijke betekenis voor een bijbeltekst of beeld (icoon), en/of tot een verdieping in de relatie met God. Volgens Kick Bras is christelijk mediteren als’ geestelijk ademhalen’: ‘het aandachtig beluisteren, ter harte nemen en beantwoorden van Gods beloften en opdrachten.’

Huub Oosterhuis dichtte in de volgende strofe kernachtig over de verbindende werking van de adem tussen de lichamelijke en geestelijke dimensie van Gods aanwezigheid in en om ons heen:


Gij zijt de lucht om mij heen
Ik adem U in, anders sterf ik.
Ik sla U om als een mantel
en ik weet dat Gij nooit verslijt.


 

primi sui motori con e-max.it
Onze nieuwsbrief >